Netherlands
This article was added by the user Anna. TheWorldNews is not responsible for the content of the platform.

Hoe behandelen scholen de Holocaust, slavernij en evolutie?

Het net verschenen Genderdoeboek voor Scholen is heel expliciet over de biologieles. Bij ‘DON’T’ staat: „Spreken over mannelijk en vrouwelijk voortplantingssysteem”. En bij ‘DO’: „Niet de lichaamskenmerken maken van iemand een man of een vrouw, maar de genderidentiteit en -expressie. Praat liever over ‘mensen met een penis’ of ‘mensen met een baarmoeder’.”

Wat moeten leerlingen leren en wie gaan er over? Scholen en educatieve uitgeverijen worden bedolven door de lobby van belangenorganisaties die dolgraag willen dat hun ideeën of overtuigingen een plek krijgen in de les. Of die juist willen dat leerlingen bepaalde informatie níet krijgen, zoals NRC schreef in een artikel over censuur in schoolboeken.

Uiteindelijk is het aan de Tweede Kamer te bepalen wat er in het curriculum komt. Die gaat vanaf 3 november weer debatteren over de vernieuwing ervan, want het huidige curriculum op basis- en middelbare scholen is alweer vijftien jaar oud.

En in die 15 jaar is er nogal wat veranderd. Neem het Nederlandse slavernijverleden. Moeten scholieren daar meer over leren? En minder over de Gouden Eeuw? Meer over klimaatverandering of juist over migratie? Over de oorzaken en gevolgen van obesitas? Over de evolutieleer en de voortplanting? Moeten ze, zoals het Genderdoeboek voorschrijft, bij biologie leren dat voortplanting níet „gaat over mannen en vrouwen die seks hebben”? Maar „iets is tussen mensen”?

„Je kunt niet álles meenemen in het curriculum”, zegt Jindra Divis. „Dan zou je kinderen 24 uur per dag moeten onderwijzen. Dus de Kamer kiest, op grond van ons advies.” Divis is directeur van het expertisecentrum SLO, volgens de wet hoeder van het curriculum. „Wij zien erop toe dat de ‘kerndoelen’ op hoofdlijnen bevatten wat belangrijk wordt gevonden om kinderen mee te geven. Wij gaan over het ‘wat’. Scholen bepalen zelf het ‘hoe’. Zij kunnen meer of minder aandacht aan een onderwerp schenken.”

Toch staat ook het wát telkens ter discussie. „Er zijn veel lobby’s die willen dat kinderen iets specifieks leren, zegt Divis.”

Ton van der Schans, voorzitter van de vakvereniging van geschiedenisdocenten (VGN), merkt dat ook binnen zijn vakgebied. „Veel maatschappelijke gevoeligheden resoneren in de klas: de holocaust, slavernij, standbeelden, islam-terrorisme”, zegt hij. „Vlak voor corona was er een congres voor geschiedenisdocenten: hoe gaan we hiermee om? Wij prediken standplaatsgebondenheid: het besef dat je als docent zelf vanuit je eigen levensbeschouwing of idealen lesgeeft. Objectiviteit is onmogelijk. Je maakt bijvoorbeeld altijd een selectie in de voorbeelden die je geeft in de klas om iets uit te leggen. Dat is op zích niet erg, maar wees je ervan bewust en wees transparant.”

Het wát is juist vrij duidelijk, vindt Jan Jaap Wietsma: dat wat wetenschappelijk is aangetoond. Hij is voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Onderwijs in de Natuurwetenschappen, een van de verenigingen die meebepaalt wat er in de eindexamens komt. „Dus wat leerlingen echt moeten weten. Dat is een polderproduct hoor – dat bepalen wij, OC&W, het College van Eindexamens, Cito en SLO.”

Er is steeds meer maatschappelijke discussie over wat bij biologie gedoceerd moet worden, constateert Wietsma. „Over het ontstaan van het leven, over seksualiteit.” Maar voor biologen, zegt hij, zijn de evolutieleer en de voortplanting wetenschappelijk gezien duidelijk. „Het zou ridicuul zijn voortplanting en evolutieleer uit het curriculum te schrappen. Dat blijft erin.”

Het zou ridicuul zijn voortplanting, evolutieleer uit het curriculum te schrappen

Jan Jaap Wietsma curriculum-expert

Ook over klimaatverandering is de wetenschap duidelijk, zegt Wietsma. „De vraag is vervolgens wat je er als school mee doet. Het hóe. Dat bepaal je zelf.” Homo-acceptatie en gender-gelijkheid, zegt Wietsma, „hebben niks te maken met wetenschap. Dat zijn ethische vragen. Die hebben te maken met je waarden en hoe je tegen het leven aankijkt”.

Bij NIBI, de biologenvereniging, vindt Tycho Malmberg het Genderdoeboek „goed voor de gespreksstof in de klas”. Al zal het volgens hem nooit dienen als leidraad. „Het ligt ook aan de leraar. De een zal alleen de technische kant van voortplanting bespreken. De ander voelt zich vrijer om alles eromheen te bespreken.”

De educatieve uitgevers hebben grote invloed. Zij moeten de stof zo presenteren, dat leerlingen het examen kunnen halen, en voldoen aan de ‘kerndoelen’. Ze bepalen volgens geschiedenisleraar Tom van der Schans voor een groot deel hoe de stof in de lesboeken staat. „We zien hoe de tijdgeest doordruppelt in de lesmethodes, al vind ik niet dat de lesmethodes voorop lopen. Toch stellen de meeste uitgevers zich voorzichtig op in gevoelige kwesties. Ze maken geen heldere keuzes. Er zijn uitzonderingen: lesboeken die de Israëlische politicus [ex-premier en Nobelprijswinnaar] Menachem Begin een terrorist noemen. Sowieso kiezen veel docenten in het Israël-Palestina-conflict een uitgesproken kant – vaak niet de kant van Israël.”

In de behandeling van het slavernijverleden is de voorbije vijftien jaar ook veel veranderd, zegt Van der Schans. „Destijds lag er meer nadruk op de vaderlandse geschiedenis, de Gouden Eeuw. Nu gaat het meer over de kwalijke kanten daaraan.” Hij vindt het ingewikkeld. „Niet alleen de keuze van onderwerpen die we nu belangrijk vinden, ook woordkeuze. Noem je de politionele acties een oorlog? Of neem de term ‘tot slaaf gemaakten’ in plaats van ‘slaven’. Dat eerste is in de meeste lesmethodes het gangbare begrip geworden.”

Scholen zijn vrij in welke lesboeken ze gebruiken. De Onderwijsinspectie checkt alleen of het lesaanbod toereikend is en of de kerndoelen worden behaald. Hoe, dat is aan de scholen, zegt een woordvoerder. „Zolang het totaalplaatje maar klopt.”

Als er hiaten zijn om bijvoorbeeld ideologische of religieuze redenen worden scholen op de vingers getikt. Zo heeft de inspectie de Joods-orthodoxe school Cheider in Amsterdam herhaaldelijk gewaarschuwd omdat haar biologieonderwijs niet aan de wettelijke eisen voldeed. Er werd geen aandacht besteed aan seksuele diversiteit, het menselijk lichaam en voortplanting. Hele stukken tekst en afbeeldingen in de biologieboeken werden zwartgelakt. Ernstig, concludeerde de inspectie vorig jaar, omdat dit raakt aan „de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, te weten verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en begrip voor anderen”.

Dan zijn er nog politieke partijen die het curriculum graag vullen. Zo diende de PVV vorig jaar een motie in om ‘omgaan met radicalisering’ op te nemen in de lesstof en kwamen GroenLinks en de PvdA met een motie om „racisme, discriminatie, antisemitisme, koloniaal verleden en migratiegeschiedenis” te verankeren in het curriculum. Van der Schans: „Interessant, maar wel veel.”

Lees ookover de reformatorische lobby

De vereniging van vakdocenten voor geschiedenis heeft de achterban gevraagd: vind je dat je bij controversiële onderwerpen als docent een standpunt moet innemen? „Iets meer dan de helft vond van wel”, zegt Van der Schans. „De andere helft zei: nee, ik moet leerlingen helpen bij het komen tot een eigen standpunt. Dat is mooi, maar ook in dat proces kun je onbewust sturen. Mijn boodschap: wees je daarvan bewust en wees transparant.”