Netherlands

De vergeten klank van de theorbe en de muziek van Kapsperger

Op papier lijkt theorbe-muziek vaak bedrieglijk eenvoudig, maar je moet nooit alleen op je ogen afgaan bij tokkelinstrumenten, zegt luitist Fred Jacobs. „Want de magie verbergt zich tussen de noten en komt pas tot leven wanneer de snaren trillen.” Vier eeuwen geleden vormden de theorbe – en zijn voorvader, de luit – instrumenten van de vervoering. De Engelse dichter William Shakespeare beschreef hoe hun klank „de ziel uit het lichaam van de mens rukte”.

Dat gaat zeker op voor de stukken van zijn Italiaanse tijdgenoot Giovanni Girolamo Kapsperger (1580-1651), componist en virtuoos aan het pauselijke hof in Rome. Hij groeide uit tot ‘Shakespeare van de theorbe’, maar belandde in het ballingsoord van de geschiedenis door de vendetta van een langer levende musicoloog die voortdurend werd nagepraat. Ook zijn instrument verdween zo’n anderhalve eeuw van de aardbodem: in het uitdijende orkestgeluid was zijn stem niet hoorbaar meer. Geen componist schreef er nog muziek voor.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de theorbe herontdekt. De bespelers ervan begonnen de wereld af te speuren naar werken die ze konden vertolken, en stuitten daarbij onvermijdelijk op pionier Kapsperger. In Nederland breekt vooral Fred Jacobs een lans voor diens mooie tokkeltonen. Hij wijdt er een album en een tournee aan.

„Wie theorbe speelt”, zegt hij, „komt vroeg of laat in de ban van Kapsperger. Hij leefde in een fascinerend tijdperk als hofcomponist van paus Urbanus VIII, voor wie ook de beroemde kunstenaar Bernini werkte. Rome wemelde van de rijke weldoeners, die jonge talenten tegen elkaar uitspeelden, en de creativiteit opstuwden. Het leverde een vruchtbare voedingsbodem op voor experimenten. En dan waren er nog alle kerken, die muziek en kunst vroegen, die wilden dat spiritualiteit voelbaar werd. Kijk naar een Bernini-beeld als De Extase van de heilige Theresia: de mystiek ervan is bijna orgastisch. Maar van alle kunsten bleek muziek de krachtigste – zij kan de ziel zo beroeren dat onze tranen niet meer te stuiten zijn.”

De oude kerken en straten van Rome, en de kunst uit de eerste helft van de zeventiende eeuw helpen Jacobs om Kapsperger beter te begrijpen. „Gebouwen, schilderijen, fresco’s zijn op zich dode dingen, maar ze belichamen een levende taal. In kerken zie ik hoe mensen de voeten van heiligenbeelden vastpakken of kussen. Die figuren betekenen iets voor hen. Door kennis over de literatuur, de tijd, de taal en de kunst die Kapsperger omringde, kan ik zijn muziek beter vertolken. Als ik voor de barokke gevel van de San Carlo alla Quattro Fontane sta – ontworpen door Borromini – dan treffen mij de grillige vormen, die ik terugvind in toccata’s van Kapsperger. Ze roepen vragen op. Wat gebeurt hier? Wat betekent dit? Moet ik wachten in bepaalde passages of wil de componist hier de noten tegen de muren te pletter laten vliegen? Zijn muziek ademt grote verbeeldingskracht. Om die tot uitdrukking te brengen, moet je meer doen dan partituren bestuderen en traktaten lezen.”

Want de Italiaanse barok heeft een heel eigen karakter, weet Jacobs. „Ik begon ooit met Franse theorbe-stukken, die zich met veel verfijning vooral richten op de klank van het instrument. Bij Kapsperger daarentegen gaat het om gevoel, om expressie: de noten mogen fluisteren, stotteren, janken. En hij verliest zich nooit in uitgesponnen betogen, maar komt meteen tot de kern. Messcherp. Pang, pang, pang. Zijn muziek herbergt een les voor onze tijd. Want de theorbe is naast zacht en kwetsbaar, ook helder – een tegengeluid in een samenleving die meer schreeuwt dan luistert.”

Onlangs verscheen van Fred Jacobs het Kapsperger-album ‘Virtù e Nobiltà’. Op 15/3 treedt Fred Jacobs op in het Rijksmuseum, Amsterdam. Inl: oudemuziek.nl