Netherlands
This article was added by the user Lucas Jackson. TheWorldNews is not responsible for the content of the platform.

‘Het gaat altijd alleen maar over Dutchbat, ik wil dat ook ons verhaal wordt verteld’

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Het eerste kwartier van Gevaarlijke namen zit Alma Mustafic met haar rug naar het publiek. Op een scherm in het decor trekken de namen voorbij van de meer dan achtduizend Bosnische mannen en jongens die in juli 1995 door de Serviërs in de buurt van Srebrenica zijn vermoord. Wanneer Mustafic zich na twintig minuten omdraait naar de zaal staan haar ogen vol tranen. Overduidelijk echte tranen.

Het blijft een loodzware opgave voor haar om Gevaarlijke namen te spelen. Het stuk gaat over de genocide die haar eigen vader Rizo het leven kostte. Rizo Mustafic was elektricien, en werkte in 1995 voor Dutchbat, het Nederlandse bataljon van de VN-vredesmacht in Bosnië. Dat zou hem en zijn gezin bescherming moeten bieden, dacht hij zelf. Maar kort na de val van de enclave moest de familie de compound verlaten van Dutchbat. Op 13 juli 1995 zagen Alma, haar broer, haar zusje en haar moeder Rizo voor het laatst. Kort daarna moet hij zijn vermoord. Pas jaren later werd zijn stoffelijk overschot geïdentificeerd.

Gevaarlijke namen verwijst naar achternamen die wijzen op een moslim-herkomst. „Voor de Servische agressor betekende dat: jij moet dood.” Het stuk wordt deze maand in Bosnië gespeeld, in Sarajevo en Tuzla. Op 16 mei wordt het in België opgevoerd voor leden van het Europees Parlement.

Mustafic (40) had het stuk ook heel graag in Srebrenica gespeeld. Maar dat is volslagen onmogelijk. „Daar is het voor ons niet zonder risico om zoiets te spelen. Voor jou klinkt dat misschien als een verrassing, maar dat is onze realiteit. De bevolkingsgroep waar ik toe behoorde is uitgeroeid of gedeporteerd. Wie toch terugkeerde wordt dagelijks geïntimideerd en gediscrimineerd.” De genocide is nooit echt opgehouden, vindt Mustafic. „Het moorden is gestopt, maar het geweld wordt voortgezet door de instituties. De leiding van de politie is in handen van mensen die meegedaan hebben aan de genocide.”

De sporen van de massamoord worden uitgewist. In Kravica, vlakbij Srebrenica, staat een fabriekshal waar 1.300 mensen zijn vermoord. „Je zag daar tot voor kort de bloedvlekken nog op de muren zitten. Het had natuurlijk een museum moeten worden. Maar ze hebben de sporen weggepoetst. Alles wat aan de genocide van 1995 doet denken wordt uitgewist.”

De huidige burgemeester van Srebrenica ontkent zelfs dat er vlakbij zijn stad ooit een genocide heeft plaatsgevonden. In die houding staat hij volgens Mustafic bepaald niet alleen. „Het gaat verder dan ontkenning, het is verheerlijking. Een paar jaar geleden werd in Pale een studentencentrum genoemd naar Radovan Karadzic (oud-president van de Bosnische Serviërs, tot levenslang veroordeeld wegens oorlogsmisdaden en genocide). Onder druk van buiten is dat weer teruggedraaid. Ratko Mladic (legerleider van de Bosnische Serviërs, eveneens tot levenslang veroordeeld wegens oorlogsmisdaden en genocide) heeft een paar weken geleden zelfs een herdenkingssteen met zijn naam erop gekregen. Dat is het sentiment waar de teruggekeerde vervolgden dagelijks mee te maken hebben.” En er worden pijnlijke liedjes gezongen, zegt Mustafic. „Zoals:

Srebrenica, jij bent me zo dierbaar

Met Gods hulp zullen we dit drie keer overdoen

Dat zingen ze soms voor je huis, en tijdens feesten en bruiloften. Kinderen van vier jaar staan er vrolijk op te dansen.”

De herinneringen aan de genocide bij Srebrenica zijn er elke dag. Maar door de oorlog in Oekraïne worden ze extra aangeblazen. „Die oorlog roept heel veel op. Niet alleen bij mij, maar bij de hele Bosnische gemeenschap in Nederland. Het is een soort copy paste van hoe het bij ons ging. Gewoon hoofdstuk 1 uit het handboek van Milosevic. Het begon met onrust creëren, en steeds meer troepen samentrekken langs de grens. Daarna kwamen de rijen voor de benzinepompen en de banken. Vervolgens het evacueren van burgers van Russische herkomst. Dat gebeurde bij ons precies zo. De Bosnische Serviërs trokken in 1992 van de ene op de andere dag weg. Dan weet je: dit gebied gaat veranderen in een slagveld.”

In de Bosnische groepsapp waar ze in zit waren ze half februari de dagen aan het aftellen. Ze durfde eigenlijk niet te gaan slapen. „Ik weet dat zo’n inval altijd in de hele vroege ochtend gebeurt. Ik durfde ’s morgens gewoon niet op mijn telefoon te kijken.” Opeens grote tranen. „Waarom blijft de geschiedenis zich herhalen?”

Het raakte haar dat veel van haar collega’s aan de Hogeschool Utrecht, waar ze werkt als onderwijskundige, er op dat moment nog helemaal niet mee bezig waren. Net als de overgrote meerderheid van haar studenten. Twee dagen voor de oorlog uitbrak had ze in een college nog het verschil tussen een boulevardkrant en een serieuze krant proberen uit te leggen. Ze liet de voorpagina uit een Servische krant zien, in cyrillisch schrift. „Ik vroeg: wie van jullie kan dit lezen? Eén meisje stak haar vinger op. ‘Maar mevrouw,’ zei ze, dit klopt toch niet? Want er staat: ‘Oekraïne valt Rusland aan’. Ja, zei ik, zo bereid je mensen dus voor op oorlog.”

In Srebrenica wordt alles uitgewist wat doet denken aan de genocide van 1995

Srebrenica was vóór 1992 een rijk stadje, dat Zilverstad werd genoemd. Wanneer Mustafic erover praat begint ze te glimlachen. Het leven was er goed, in haar herinnering. Officieel waren ze thuis moslim, maar religie speelde geen enkele rol. „Ik was nog nooit in een moskee geweest en had nog nooit van ‘halal’ gehoord. Ik had allerlei Servische vriendjes en vriendinnetjes, wist totaal niet wat de verschillen waren.” Die waren er volgens haar vader ook helemaal niet. „Hij zei altijd: ‘Alma, deel mensen nooit in op hun afkomst. Onthou goed: je hebt maar twee soorten mensen: goede en slechte’.”

Achteraf denkt ze er weleens in verbijstering aan terug. Hoe hébben haar ouders zo naïef kunnen zijn? Toen in 1991 de oorlog uitbrak in Slovenië, en later in Kroatië, leek dat allemaal nog ver weg. Bovendien: wie van hun Servische vrienden zou hun ooit kwaad willen doen? Al was het een veeg teken dat diezelfde Servische vrienden aan het begin van de oorlog opeens allemaal uit Srebrenica vertrokken. Ze herinnert zich nog glashelder dat twee bevriende Servische stellen vlak daarvoor bij hen op bezoek waren. „Mijn moeder had baklava gemaakt. Daar waren ze altijd dol op. Maar die avond raakten ze het gebak niet aan. Een van die vrouwen heeft de hele avond alleen maar gehuild. Ik hoor mijn vader nog vragen: ‘Wat is er aan de hand? Weten jullie soms iets wat wij niet weten?’ Ze antwoordden: ‘Rizo, wij weten ook niks.’ Al boden ze wel aan om de kinderen mee te nemen. Mijn vader ontplofte. Hij vroeg letterlijk: ‘Onze kinderen meenemen? Hoe komen jullie daarbij? Komt er oorlog dan?’”

Ze heeft hen nooit meer gesproken. „Ik ben ervan overtuigd dat ze mijn vader hadden kunnen redden door hem te waarschuwen. Hij was al eens in Nederland geweest. Daar had hij weer heen kunnen gaan.”

Rizo Mustafic besloot zijn gezin in eerste instantie onder te brengen bij zijn ouders. Die woonden in een klein dorpje, dertig minuten rijden van Srebrenica. Onderweg zagen ze opeens overal mannen met grote baarden en zware wapens. Bijna allemaal bekenden van haar vader. „Ik dacht: hoe kan dat? Vorige week zagen deze mensen er nog normaal uit. Ondertussen luisterden we naar de Servische radio. Dat was angstaanjagend. Daar werd gezegd: ‘Broeders Serviërs, kijk toch ’ns wat onze Servische mensen aangedaan wordt door de moedjahedien: huizen worden in brand gestoken, onschuldige Serviërs worden vermoord. We moeten ze helpen.’ Mijn mond viel echt open. ‘Pap, het is toch andersom?’ Hij zei: ‘Alma, dit is je eerste les in hoe propaganda werkt. Vergeet dit nooit.’”

Toen ze na vier maanden terugkeerden naar Srebrenica wist ze niet wat ze zag. „Het leek wel een scène uit de Tweede Wereldoorlog. Huizen waren verwoest, winkels geplunderd.” Hun eigen huis bleek er nog wel te staan. Elke dag klopten honderden mensen bij hen aan, op de vlucht voor het toenemende geweld. „We werden dagelijks beschoten.” Tot ze op een dag het geluid van zware voertuigen hoorde, dat steeds dichterbij leek te komen. Tot haar opluchting zag ze dat het witte pantserwagens waren. „Ik holde naar binnen: het is de VN! Het is de VN!” Ze zag haar ouders naar buiten rennen en zwaaien, blij als kinderen. Nu zou er eindelijk een einde aan alle ellende komen. De dagelijkse beschietingen hielden vanaf dat moment inderdaad op. „Maar het ergste moest nog komen.”

Lees ook: Verder leven na Srebrenica

De Canadese VN’ers werden begin 1994 afgelost door Dutchbat. Rizo werd steeds vaker ingeschakeld voor werkzaamheden op de compound. „Hij was meer vertrouwd met het Bosnische elektriciteitsnetwerk dan de Nederlanders.” Toen in juni 1995 de beschietingen door de Serviërs weer begonnen, kwam er opnieuw een grote vluchtelingenstroom op gang. Alma herinnert zich dat op die elfde juli 1995 een rivier van mensen voor hun huis langs kolkte. Het viel hun toen al wel op dat daar opvallend weinig mannen tussen zaten. „We hadden in de familie veel discussie: moesten we naar de VN gaan of moest mijn vader proberen te vluchten door de bossen? Mijn oma zei: ‘Jongen, ga de bossen in. Ik weet uit de Tweede Wereldoorlog hoe de cetniks (Servische nationalisten) te werk gaan’.” Maar mijn vader bleef zeggen: ‘Mijn werkgever zal mij zo nodig echt wel beschermen.’”

Toen op 11 juli 1995 de enclave viel, werden ze inderdaad toegelaten tot de compound. Ze sliepen twee nachten op de grond in het kantoortje van Alma’s vader. „Vergeleken met de twintigduizend vluchtelingen buiten de poort kregen wij echt een vip-behandeling. Wij hadden het gevoel: wij zijn veilig hier.”

Vanaf de compound zagen ze de bussen arriveren waarmee de Serviërs de vluchtelingen wilden afvoeren. „We waren zo opgelucht dat wij binnen zaten. Tot we zagen dat de vijfduizend vluchtelingen die op de compound zaten door Dutchbat naar buiten werden begeleid, naar de bussen. Wij waren verbijsterd, dachten alleen maar: ‘Hoe kunnen jullie dit doen? Jullie weten toch dat er buiten gemoord, geplunderd en verkracht wordt?’”

Over hun eigen lot was ze minder bezorgd. Rizo Mustafic stond op de lijst van Dutchbat. „Hij was een medewerker en zou dus beschermd worden.” Tot er opeens twee Dutchbatters voor de deur van zijn kantoortje stonden met een schokkende mededeling: jullie moeten ook naar buiten. „Ik denk echt dat zij dat zelf ook vervelend vonden. Maar ze waren bang dat hun iets zou overkomen als ze ons zouden blijven beschermen.” Buiten de poort kwam haar vader nog een Servische vriend van vroeger tegen. „Hé Rizo, ik dacht dat je al weg was. De slimme mensen zijn allang gevlucht.” Twee stappen verder duwde een andere Serviër haar vader aan de kant. Daarna ging het allemaal heel snel. Te snel om nog afscheid te kunnen nemen. „Hij heeft mijn kleine zusje nog een kusje gegeven. Voor ons kreeg hij geen gelegenheid. Ik herinner me vooral hoe mijn ouders nog heel even naar elkaar keken. Ze zeiden niets. En tegelijk zeiden ze zoveel…”

Lees ook: Srebrenica’s doden: grootste forensische ‘legpuzzel’ ooit

Eén herinnering doet nog altijd het meeste pijn. Kort voordat ze naar de poort werden begeleid, had haar vader haar een mes gegeven. „Zijn ogen waren helemaal rood. Hij had geen seconde geslapen. Hij zei: ‘Alma, steek dit mes bij je’. Bedoeld om mezelf te kunnen doden als de Serviërs aan mij zouden zitten. Want ik was pas veertien, maar zag eruit als achttien.” Opeens weer diep verdrietig: „Moet je je vóórstellen. Mijn eigen kinderen zijn nu vijf en elf. Dat het enige redmiddel dat je kunt bedenken is dat je tegen je kind zegt: ‘vermoord jezelf desnoods’. Al zei hij dat niet letterlijk, die herinnering maakt me nog altijd kapot.” Veel heeft ze aan het mes overigens niet gehad. Het werd bij de poort door een Dutchbatter in beslag genomen; het zou de Serviërs maar nodeloos provoceren.

Die dramatische episode beleeft ze elke avond op het toneel opnieuw. Dat is zwaar. Loodzwaar. Maar het moet, zegt ze. „Omdat ik wil dat ons verhaal verteld wordt. Het maakt deel uit van de Nederlandse geschiedenis. Er wonen bijna zestigduizend Bosniërs in Nederland. Ik voel mij volledig onderdeel van de Nederlandse maatschappij. Daarom wil ik dat deze maatschappij plaats heeft voor ons verhaal. Want het gaat altijd alleen maar over Dutchbat. Van ons kennen ze bijna geen enkel persoonlijk verhaal. Terwijl het de laatste genocide in Europa was. En of je het nou leuk vindt of niet, de Nederlanders waren daarbij. Je ziet toch weer hoe moeizaam Nederland omgaat met pijnlijke bladzijdes uit de geschiedenis. Kijk naar Indië: het is decennialang gegaan over ‘politionele acties’. En dan wel verontwaardigd reageren als Poetin de oorlog in Oekraïne ‘een speciale militaire operatie’ noemt.”

Ze zou Gevaarlijke namen ook willen spelen in Belgrado, „de plek waar de ellende vandaan kwam. Om de Serviërs te laten zien: Nederland heeft óók zwarte bladzijden. En toch hebben wij de vrijheid om daar een voorstelling over te maken.” En ze wil heel graag dat ‘Srebrenica’ wordt opgenomen in een speciale lesmodule op haar hogeschool. Ze heeft zelf een programma ontwikkeld, Srebrenica Genocide, dat honours-studenten kunnen volgen. Het liefst had ze er een minor van gemaakt, toegankelijk voor alle studenten in Nederland. „Maar het hoofd van onze geschiedenis-afdeling vond het ‘niet relevant’. Want ‘we kunnen toch niet zomaar van elke gebeurtenis uit de geschiedenis een minor maken?’. Terwijl de les van Srebrenica juist is hoe makkelijk je gewone mensen zover krijgt dat ze hun buren en vrienden gaan uitmoorden. Dit is een universeel verhaal, dat verteld moét worden. Op het toneel en in de collegezaal.”

Een versie van dit artikel verscheen ook in de krant van 14 mei 2022