logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo logo
star Bookmark: Tag Tag Tag Tag Tag
Netherlands

Kimberly (29) moest na 24 weken afscheid nemen van haar baby: ‘Jibbe heeft maar drie minuten geleefd’

Kimberly (29) moest na 24 weken zwangerschap afscheid nemen van haar zoontje Jibbe die een chromosoomafwijking had. ‘We kregen hem mee naar huis in een bakje water.’

‘Ik zie mezelf nog liggen in de echokamer. We hadden al twee gezonde jongens op de wereld gezet, dus bij de twintig-weken-echo van de derde dachten we gewoon even leuk naar de baby te kijken. We hadden er zin in. En nee, we hadden niet verwacht dat er iets mis zou zijn. Het begon goed. Er waren tien vingertjes, tien teentjes, en zo maakte ze het bekende rondje. Tot ze bij het hartje kwam. Ze kon drie belangrijke vaten niet vinden op de echo. Maar goed, zei ze al, onze zoon (ja, nog een zoon) lag al diep ingedaald met zijn hoofdje, dus waarschijnlijk was dat de verklaring. We werden voor de zekerheid doorgestuurd naar het Radboudumc voor een second opinion. Maar, zei ze, we moesten niks ergs verwachten.

De volgende dag zaten we in het Radboud, waar alles in één klap veranderde. Het was mis. Dat zagen ze gelijk, omdat de hartpunt de verkeerde kant op lag. En toen ze verder scanden, ontdekten ze dat er ook een belangrijk bloedvat miste in zijn hartje. Zo’n gesprek gaat half langs je heen, maar ik weet nog dat ik me vooral focuste op de oplossing. De afwijking was operabel. Binnen drie maanden na zijn geboorte moest hij een openhartoperatie van dertien uur ondergaan. Pff, heftig. En nee, niet wat je voor ogen hebt als er zo’n kleintje in je buik groeit. Maar er was gelukkig een oplossing. Ze gingen hem beter maken.

En toen hadden we nóg een gesprek. Deze hartafwijking paste namelijk ook bij een specifieke chromosoomafwijking, dus moesten we met een vruchtwaterpunctie uitzoeken of ons kindje die afwijking had. Als je zwanger bent, voelt je baarmoeder als een veilige vacuümballon voor je baby. En zodra ze daar met een naald in prikken, gaat de hele druk eraf. De punctie voelde onnatuurlijk, vreemd. Het deed pijn. Ik durfde niet naar het scherm te kijken, maar mijn man Dirk wel. Hij vertelde dat ons zoontje de hele tijd naar de naald probeerde te grijpen. Alsof ook hij, net als ik, dacht: zeg, wat moet dat hier?’

Onmenselijke keuze

‘Ze zouden bellen met de uitslag op de negentiende, maar omdat onze oudste zoon Fedde dan drie werd en het nogal rot is om op zijn verjaardag slecht nieuws te krijgen, had ik nadrukkelijk gevraagd of het eerder kon. Zo kreeg ik de zestiende al een telefoontje.

En nee, het was niet goed. Helemaal niet goed. Ik had vriendinnen op bezoek die middag. Ze waren in shock, natuurlijk, maar ik kon alleen maar denken: weg, jullie moeten weg. Ik moet Dirk bellen. Hij moet naar huis komen. Ergens wist ik dat dit betekende dat ik afscheid moest nemen van mijn kindje, maar toch bleef ik krampachtig vasthouden aan een soort hoop. Eerst maar eens naar het ziekenhuis. Eerst maar horen hoe het zit. Kan er nog een wonder gebeuren? Kunnen we hem redden? Hoe rationeel ik ook ben, die hoop hield ik stiekem tot aan de bevalling. Het zal er wel bij horen als je moeder bent.

De klinisch geneticus confronteerde ons diezelfde dag nog met de lijst symptomen die passen bij het velocardiofaciaalsyndroom, wat ons zoontje had. Ik kreeg er de rillingen van. Het was mogelijk dat hij ‘alleen die hartafwijking had’, maar het was waarschijnlijker dat hij meer mankeerde. Moeilijk slikken, moeilijk praten, niet kunnen leren. Zo ging het door. Er was negentig procent kans op een open gehemelte, waardoor hij afhankelijk werd van sondevoeding. En tachtig procent kans op schizofrenie en psychoses vanaf zijn zestiende.

De arts wond er geen doekjes om. Als dit kindje geboren werd, als hij het zou redden, dan veranderde alles radicaal. De andere kindjes zouden ondergesneeuwd raken en alles in ons leven zou draaien om de baby. Officieel heb je vijf dagen bedenktijd, maar Dirk en ik keken elkaar aan en wisten gelijk dat we moesten stoppen. Het kon niet. Voor de baby zelf niet, voor ons niet, voor de jongens niet. Het was een onmenselijke keuze, maar we wisten ook dat het de juiste keuze was. De zwangerschap moest worden beëindigd. Een dag na de verjaardag van mijn oudste, zouden ze de bevalling opwekken. Dan namen we afscheid van onze derde zoon.’

Doen we het juiste?

‘Direct ging er bij mij een knop om. Ik mocht geen rompertjes meer kopen, er zou geen babykamertje komen, maar wat ik wél kon regelen was een perfect afscheid. Ik kon ervoor zorgen dat het hem aan niks ontbrak als hij geboren werd. Ik had een uitvaartverzekering en kon daar alles van doen. Ik regelde een fotograaf, kleding, een mandje, ballonnen om met de familie op te laten, een lunch voor na de uitvaart. Alles. Mijn vriendin maakte kleertjes, Dirk haalde een kistje op. Het perfectionistische zit wel in mij, maar ik had nog een drijfveer. We hadden de verjaardag van Fedde in het verschiet, en ik wilde nog een paar dagen genieten van ons als gezin, zónder al dat geregel.

Dat weekend ging het leven door, zoals dat gaat. Er was kermis, daar ging ik met Fedde naartoe. Jeetje, zeiden mensen verbijsterd, dat je de deur nog uitgaat. Maar voor hem is het ook sneu als hij niet naar de kermis kan omdat ik verdriet heb. We planden het weekend vol met leuke dingen, om optimaal te genieten van de laatste dagen met z’n allen. Pas ’s avonds op de bank, als de jongens sliepen, won het verdriet. Ik weet nog dat we elkaar aankeken, Dirk en ik, met tranen in onze ogen. Doen we wel het juiste? Doen we het goed? Toch was er geen twijfel. Ja, dit was het juiste.

Vaak zijn mensen verwonderd over hoe sterk ik ben. Dat brengt me in verlegenheid, want ik weet niet beter. Dit, hoe ik hiermee omga, is voor mij normaal. Ik heb nogal wat ellende achter mijn kiezen. Zo pleegde mijn opa zelfmoord toen ik elf was en werd ik vroeger gepest. Door de jaren heen heb ik naar voorbeeld van mijn moeder geleerd om het leven altijd weer op te pakken en positief te blijven. Dat doe ik nu ook. Ik kijk niet veel achterom. Je zou kunnen zeggen dat ik alles daarmee verdring, maar dit is mijn overlevingsmechanisme.

Pas de avond voor de bevalling vertelde ik het aan Fedde. Ik vond het niet nodig om hem al eerder te belasten. De maatschappelijk werker leerde me om duidelijk tegen hem te zijn. Fedde, zei ik dus, mama moet morgen naar het ziekenhuis, want de baby is erg ziek. De baby wordt morgen geboren, maar hij kan niet spelen en niet praten, want de baby is dood. Het was een moeilijke zin om uit te spreken, maar hoe Fedde het oppakte deed me goed. Hij was oké. Hij nam het in zich op en ging verder spelen. Het is wat het is.’

Nu is er rust

‘De dag van de bevalling begon redelijk optimistisch. Hoewel het een nare dag zou worden, kregen we ook gewoon ons derde kind. Helaas werd het al gauw een hel. De ruggenprik ging twee keer fout, er was een weeënstorm van jewelste, veel pijn en geen pijnstilling.

Met één keer persen werd onze zoon Jibbe geboren. Hij woog 560 gram en zat nog in de vruchtzak. Ik kon mijn ogen niet geloven, het was zo’n prachtig gezicht. Ze vroegen of ik hem uit de zak wilde hebben, maar mijn intuïtie zei van niet. Waarom zou ik hem uit zijn warme huisje halen? Dan krijgt hij het koud, leeft hij misschien een halfuurtje langer. Nee, dacht ik, ik laat hem rustig gaan in die warme vruchtzak. Op mijn buik, met mijn hand veilig om hem heen. Ik voelde hem nog schoppen, maar hij kreeg al geen zuurstof meer. Drie minuten later is hij overleden. Ik weet nog dat ik toen dacht: nou is het klaar. Nou is er rust.

We kregen hem mee naar huis in een bakje water. Bij kindjes van die termijn verkleurt de huid al gauw en in water blijven ze mooi. Overdag lag hij in zijn bedje op zolder, naast mij. En ’s nachts, als toch niemand naar hem keek, bewaarden we hem in een aparte koelkast. Fedde was lief voor zijn broertje. Hij kuste hem, hield hem vast. Maar hij wist ook goed wat er aan de hand was. De baby kan niet spelen, mompelde hij. De baby is dood.
Ik had ondertussen last van complicaties. Doordat die ruggenprik verkeerd was gegaan, lekte ik op twee plekken hersenvocht. Liggen ging wel, maar opstaan en lopen deed zeer. Na een dag moest ik plotseling terug naar het ziekenhuis, omdat ik verging van de pijn. Toen, ja toen ben ik ingestort. Ik heb zo vreselijk hard gehuild. Dit is oneerlijk, riep ik steeds, dit is zo oneerlijk. Ik heb dit niet verdiend. Maar ik moest terug. En het ergste van alles: ik moest mijn dode baby thuis in de koelkast achterlaten. Wat vond ik dat oneerbiedig.’

Broertje in de hemel

‘Op de dag van zijn afscheid was ik terug. Ik zat in een rolstoel en raapte mezelf bij elkaar met medicijnen. Onze familie en vrienden verzamelden zich bij ons thuis, terwijl Dirk en ik naar het crematorium gingen. Jibbe lag in zijn mandje op mijn schoot. Daar hebben we hem afgegeven. En dat was het dan. Thuis lieten we met z’n allen ballonnen op. Vooral ook voor Fedde, om naar zijn broertje in de hemel te sturen. Even slikken toen hij zijn verjaardagsballonnen er ook bij pakte, met beertjes en hartjes. Ook die mochten naar zijn broertje.

Je hoort weleens dat mensen in tijden van rouw uit elkaar groeien, maar bij Dirk en mij is het tegenovergestelde gebeurd. Voorheen was hij een binnenvetter. Dus toen dit alles begon, was ik bang dat hij zich zou afsluiten. Maar hij verraste me compleet. Hij heeft nog nooit zo veel over zijn gevoelens gesproken. Met zijn baas, collega’s, met de familie. En met mij. Dat praten heeft onze band sterker gemaakt. We spraken eindeloos, over de keuze natuurlijk, over hoe we alles aan zouden pakken met de jongens. Fedde en Siep zijn onze drijfveer. Elke dag staan we op voor onze jongens. Verdriet mag er zijn, maar daarna gaan we door. Niemand heeft er wat aan als we in zak en as gaan zitten.

‘Ben je nou eigenlijk nog zwanger?’ werd me laatst gevraagd. Ik schrok me rot. Ze bedoelde het vast niet slecht, maar de vraag maakte me intens boos. Ons dorp is klein, ze moet er wel van gehoord hebben. Nee, zei ik dus vinnig, ik ben mijn kindje verloren, waarna ik kwaad wegliep. Of die keer in de supermarkt, toen iemand achteloos opmerkte: ah joh, je bent nog jong. Ja, het is wennen als moeder met een sterrenkindje. Soms is dat lastig, soms niet. Als ze bijvoorbeeld vragen hoeveel kinderen ik heb, is het antwoord makkelijk: drie. Eén van drie, één van één en één zou nu drie maanden zijn. Ook voor Fedde is het wennen. Laatst waren we in een binnenspeeltuin en zag hij een baby. Zegt hij tegen die moeder: wij hadden ook een baby, maar die is dood. Ja, ongemakkelijk. Maar het is wel zo. Als ik tegen hem zeg dat hij dat niet mag zeggen, snapt hij er niks meer van.

Hoewel het nog kortgeleden is, denken we soms na over een volgend kindje. Ergens maakt dat me bang, want stel nou dat er weer iets mis is. Daarom zouden we bij een nieuwe zwangerschap altijd een vlokkentest laten doen. Dit circus willen we niet nog eens meemaken. Een nieuw kindje zal Jibbe nooit vervangen, maar het kan de pijn wel verzachten. In mijn hoofd had ik altijd een ideaalplaatje van een gezin met vier kinderen. Dus, als het ons gegeven is, is ons gezin na een nieuwe zwangerschap compleet.’

Dit interview met Kimberly lees je in VIVA-02-2020. Deze editie ligt vanaf 8 januari in de winkel.

Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je in voor de VIVA-nieuwsbrief.

Themes
ICO