Netherlands

Het moet veel harder, vindt sprinter Joris van Gool ook zelf

Atletiek Joris van Gool won de 60 meter bij de NK. Maar het gaat hem om de 100 meter en deelname aan de Spelen.

De indoorkampioen wil graag af van het stempel ‘indoorspecialist’. Leuk en aardig, dat Nederlands record op de 60 meter, dat Joris van Gool onlangs tot 6,59 seconden aanscherpte. Leuk en aardig ook, die Nederlandse titel die hij zaterdag in Apeldoorn prolongeerde, maar de 100 meter, dáár gaat het internationaal om. Die telt voor een sprinter, speciaal in het hoofd van Van Gool.

In de catacomben van Omnisport, waar Van Gool domineerde op de 60 meter en waar een deel van de Nederlandse sprinttop ontbrak maar gevestigde namen als Hensley Paulina en Churandy Martina tot de verliezers behoorden, wond de nahijgende kampioen er geen doekjes om. Hij is blij met zijn progressie, begrijp hem goed, maar hij beseft dat hij nog geen tijden loopt waarvan de internationale concurrentie wakker ligt. De realist in Van Gool: „Met mijn nationaal record word je geen wereldkampioen. Het moet harder, véél harder. Terug naar de tekentafel, dus.”

Van Gool – 21 jaar jong, modern getrimd baardje, armen vol tatoeages en barstend van ambitie – had in Apeldoorn nog de beelden van drie dagen eerder op zijn netvlies. Toen werd hij in het Franse Liévin voorbij gesneld door een aantal Amerikanen, een Jamaicaan en een Slowaak. De Nederlandse sprinter liep daar de 60 meter in 6,65 seconden en eindigde op de zevende plaats.

Met zijn tijd van 6,64 bij de nationale kampioenschappen indoor in Apeldoorn zou hij op dezelfde plaats zijn geëindigd. Een keurige prestatie, waar niks mis mee is, maar ter vergelijking: Ronnie Baker, de Amerikaanse winnaar in Liévin, liet een tijd van 6,44 aantekenen.

Van Gools worsteling op de 100 meter, waarvoor hij alles doet om een startbewijs voor de Olympische Spelen in Tokio te bemachtigen, betreft vooral het slotstuk, grofweg de laatste twintig meter. Als snelle starter loopt hij het risico na 40 meter te zijn opgebrand. Of, zoals zijn trainer Bart Bennema uitlegt: „Op de 60 meter kun je bij wijze van spreken vallend naar de finish rennen, maar op de 100 meter moet je ook na 70 meter je snelheid zien vast te houden. Een kwestie van opbouwen. En daar sleutel ik met Joris hard aan.”

Over zijn relatief zwakke slot van de 100 meter oordeelt Van Gool zelf iets milder dan Bennema. „Omdat ik denk op dat laatste stuk juist beter te zijn geworden. Vorig jaar liep ik een persoonlijk record van 10,16, toch niet slecht. Ik moet alleen constant die tijd lopen en dat niveau uitbouwen. Pas als je harder dan 10,10 loopt, kun je zeggen dat je een goede sprinter bent. Mijn magische grens blijft de tien seconden, maar dat gaat dit seizoen nog niet lukken.”

De reden? Simpel: gebrek aan kracht. Van Gool: „Dus het krachthonk in. Maar dat kost tijd. Bij wedstrijden merk ik drie tot vier jaar achterstand te hebben in vergelijking met de grote jongens. Sprinten is dermate explosief dat de kracht die je in elke pas kunt leggen essentieel is. Als je sterker wordt, word je ook sneller, zo simpel is het.”

Dat nuanceert een realistische Bennema: „Vijf kilo eraan trainen, betekent niet automatisch harder lopen. Het gaat om de balans tussen kracht en snelheid. Joris moet sterker worden, sowieso. We gaan hem ook breder maken, maar dat heeft tijd nodig.”

Maar dat betekent ook geduld hebben en dat is niet bepaald Van Gools sterkste karaktertrek. Hij wil harder en harder, het liefst nu. Of nog liever: komende zomer op de Spelen in Tokio. Zit zijn olympische ambitie Van Gool niet in de weg? Maakt hij de Spelen niet te belangrijk? No way, vindt de sprinter zelf. „Je moet durven dromen en die dromen durven uitspreken. Als je altijd voor zekerheid kiest, is de lol er voor mij gauw vanaf. Ik denk niet dat ik de Olympische Spelen te groot maak. Die zijn nu eenmaal groot.”

Hoewel de samenstelling nog niet officieel is, gaat Van Gool ervan uit dat hij als startloper zeker is van een plaats in het Nederlandse estafetteteam, dat zich vorig jaar bij de WK in Doha plaatste voor de Spelen. Een individueel startbewijs voor de 100 meter poogt hij via een plaats bij de beste 42 van de wereldranglijst te bemachtigen. Met een uitgekiend programma in het outdoorseizoen moet dat lukken, denkt zowel Van Gool als trainer Bennema.

En die laatste twintig meter? Zijn die over een half jaar in Tokio van olympisch niveau? Als het aan Van Gool ligt wel. Omdat hij nu eenmaal een komeetachtige start in de benen heeft. „Weet je, iedereen moet uit dat startblok komen”, redeneert de sprinter. „Als je daar goed in bent, sta je met 1-0 voor. Dan moet je het nog wel afmaken, natuurlijk, maar het is fijn om die kwaliteit te hebben. Liever zo dan vanuit een achterstand te moeten lopen.”