Netherlands
This article was added by the user . TheWorldNews is not responsible for the content of the platform.

‘Geen bewijs voor Nederlandse steun aan Syrische jihadisten’

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Analyse

Onderzoek NLA-programma De commissie-Cammaert heeft stevige kritiek op het ministerie van Buitenlandse Zaken voor de manier waarop het tussen 2015 en 2018 Syrische verzetsgroepen steunde. Maar ‘terroristen’ of ‘jihadisten’ zaten daar niet bij. Volkenrechtelijk liet BZ ook veel steken vallen.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken is slordig omgesprongen met het volkenrecht bij de verlening van zijn jarenlange steun aan Syrische verzetsgroepen. Anders dan door sommige media in 2018 werd gesuggereerd zijn er echter geen aanwijzingen gevonden voor Nederlandse steun aan terroristische of jihadistische organisaties. Wel schonden de hulp ontvangende organisaties incidenteel de mensenrechten.

Dit concludeert de commissie onder voorzitterschap van generaal b.d. Patrick Cammaert, die het zogenoemde Nederlandse NLA-programma voor niet-dodelijke hulp aan 22 Syrische verzetsgroepen tussen 2015 en 2018 onderzocht. Vrijdag trad de commissie naar buiten met haar bevindingen.

De regering, in het bijzonder het ministerie van Buitenlandse Zaken dat het programma coördineerde, krijgt stevige kritiek te verduren. „In de basis moet een dergelijk risicovol programma robuust zijn ontworpen”, noteert de commissie. „Dat was hier niet het geval. Het NLA-programma was een programma waarbij BZ als het ware bokste boven het eigen gewicht.”

Minister Hoekstra (Buitenlandse Zaken, CDA) erkende bij het in ontvangst nemen van het rapport dat er risico’s aan het programma in Syrië kleefden. Hij stelde dat de geopolitieke context de laatste jaren „weerbarstiger” is geworden. Juist in dat licht noemde hij het rapport „van groot belang voor het voeren van een democratisch debat over wat voor buitenlands beleid wij als Nederland met elkaar willen hebben.” Later zou een meer gedetailleerde reactie van zijn kant volgen, beloofde hij.

Net als bij eerdere Nederlandse interventies in het buitenland rees er ook in dit geval spanning tussen de goede bedoelingen van Den Haag – verzet steunen tegen het als onmenselijk beschouwde regime van president Assad – en de behoefte om tegelijk zelf schone handen te houden.

De Tweede Kamer en de regering waren daartoe overeengekomen dat alleen gematigde Syrische groeperingen die het humanitair oorlogsrecht respecteerden hulp zouden ontvangen. Een tamelijk naïeve aanpak, concluderen Cammaert en de zijnen. „Het is een illusie te veronderstellen dat er in deze oorlog gewapende groeperingen waren die schone handen konden blijven houden”, schrijven ze in hun rapport, „dat geldt ook voor de door Nederland gesteunde groeperingen.”

Volgens de commissie heeft Nederland met het NLA-programma bovendien „grote risico’s” genomen. Het was namelijk helemaal niet in staat zelfstandig te bepalen wat er precies met zijn hulp gebeurde. „Nederland had geen zelfstandige informatiepositie”, aldus de onderzoekers. Het vertrouwde slechts op een klein eigen team en op hiervoor speciaal aangetrokken organisaties, die ook maar beperkt zicht hadden op wat er precies in Syrië gebeurde.

Het NLA-programma was een programma waarbij Buitenlandse Zaken als het ware bokste boven het eigen gewicht

Commissie-Cammaert in eindrapport

Harde noten kraakt de commissie voorts over de gebrekkige volkenrechtelijke onderbouwing van de hulp. „Het Nederlandse NLA-programma is volgens het geldend recht strijdig met het non-interventiebeginsel en sommige onderdelen van de steun overschrijden op beperkte schaal de ondergrens van het geweldverbod”, constateren de onderzoekers. Dat laatste gold vooral voor NLA-projecten in Zuid-Syrië. Buitenlandse Zaken had veel nauwkeuriger moeten aangeven hoe deze interventie in een andere staat volkenrechtelijke viel te legitimeren, vinden zij.

Dit een pijnlijke conclusie voor het ministerie, omdat al vaker is gebleken dat het zijn huiswerk op dit terrein niet goed had gedaan, onder meer bij de steun voor de Amerikaans-Britse inval in Irak in 2003. Nederland presenteert zich aan de buitenwereld niettemin juist graag als een baken voor het internationaal recht.

Ook schoot het ministerie van Buitenlandse Zaken tekort in de informatievoorziening jegens de Tweede Kamer. Die was veel te algemeen en abstract van aard, soms zelfs ronduit misleidend. Er werd bijvoorbeeld slechts verteld dat er kleding en civiele voertuigen waren geleverd, terwijl het ging om uniformen en pick-uptrucks. „Zo werden er geen slapende honden wakker gemaakt”, aldus de commissie, die vaststelt dat de Kamer op deze manier een „illusie van controle” kreeg. Ook over de volkenrechtelijke risico’s werd de Kamer maar mondjesmaat ingelicht.

Aanleiding voor het instellen van de onderzoekscommissie was de onrust die in september 2018 ontstond, toen Nieuwsuur en Trouw meldden dat Nederlandse hulp bij ‘terroristen’ belandde. Ze verwezen daarbij onder meer naar een zaak die het Openbaar Ministerie aanspande tegen een strijder van een van de organisaties die Nederland steunde. De Tweede Kamer reageerde geschrokken op dit nieuws en eiste opheldering. De regering had de NLA-steun toen overigens al gestaakt.

De Commissie zei niet haar mening te willen geven over de juistheid van de mediaberichten van destijds. „Wij hebben het handelen van de overheid onderzocht”, aldus voorzitter Cammaert op de persconferentie bij de lancering van het rapport. „Niet het handelen van de media.” Wel wees de commissie erop dat het Openbaar Ministerie een andere definitie van terrorisme hanteert dan Buitenlandse Zaken.

Het rapport zelf is tamelijk summier over de gevoelige vraag of de Nederlandse hulp in handen van terroristen is beland. De groeperingen die hulp kregen staan niet op internationale lijsten van internationale terroristische of jihadistische organisaties. Of dat ook geldt voor sommige individuele leden, zeggen de onderzoekers niet te hebben kunnen nagaan. Na drie alinea’s over dit onderwerp stelt de commissie vervolgens simpelweg vast dat ze geen aanwijzingen heeft gevonden „die erop duiden dat BZ groeperingen heeft gesteund die als jihadistisch of terroristisch kunnen worden aangemerkt.”

Lees ook: Onderzoek naar Nederlandse steun aan Syrische rebellen loopt vast in Turkije